KUNST/CULTUURGESCHIEDENIS

Kunst leren begrijpen vergt kunvermeer-boomsthistorische -en cultuurhistorische kennis en vaardigheden zoals het onthouden van kernconcepten van de kunst in verschillende tijden en plaatsen en met verschillende functies. Het leren begrijpen van overeenkomsten en verschillen tussen kunstwerken staat daarom centraal in de examens van kunst algemeen en kunstgeschiedenis/kunstbeschouwing. 

WERKEN MET KERNCONCEPTEN IN DE KUNST/CULTUURGESCHIEDENIS

Vanuit de vakdidactiek van de kunst -en cultuurgeschiedenis willen we docenten stimuleren om te werken met kernconcepten. Deze vatten heel compact en kernachtig de koers van een bepaalde periode samen. Het zijn de grote denkbeelden die een periode en/of stroming kleuren. Wanneer leerlingen deze kernconcepten en het waarom ervan echt inhoudelijk begrijpen, kunnen zij actiever en meer zelfstandig meedenken over specifieke voorbeelden uit de kunst en het waarom daarvan. Dat bevordert de interesse van leerlingen en hun motivatie voor het leren over kunst.

BIG IDEAS OVER KUNST/CULTUURGESCHIEDENIS

In de didactiek zien we in de afgelopen jaren meer aandacht voor wat nu de essentie van het leren in verschillende vakgebieden is. Dit om de overladenheid en versnippering tegen te gaan maar vooral om leerlingen goed uit te kunnen leggen wat het leren over kunst belangrijk en interessant voor hen maakt. Een aantal ‘big ideas’ over kunst/cultuurgeschiedenis zijn: 

  • KUNST IS COMPLEX OMDAT ER VAAK MEERDERE INVALSHOEKEN OF BETEKENISLAGEN ZIJN. Kunst heeft in verschillende tijden en plaatsen soms een verwante maar vaak ook een andere achtergrond of functie. Kunst kan door een bepaalde cultuur, bepaalde machthebbers of economische systemen, door bepaalde opvattingen over de wereld, het leven en de schoonheid, een andere artistieke expressie laten zien. Door te kijken naar deze verschillende aspecten, de verschillende betekenissen en waar deze uit voortkomen, leer je inzicht te krijgen in je eigen culturele context en je eigen voorkeuren en hoe deze tot stand gekomen zijn. Je leert dan begrijpen dat kunst niet eenduidig is, maar er vaak heel veel lagen zijn in/aan de kunst.
  • DOOR VERHALEN IN DE KUNST ONTWIKKEL JE INZICHT OVER JEZELF, DE ANDER EN DE WERELD. In kunst worden verhalen verteld in beelden. Deze verhalen borduren soms voort op oude thema’s of onderwerpen (heldenverhalen, tragische gebeurtenissen, geluk of verdriet etc.). Door naar deze verbeelde verhalen te kijken, kun je jezelf als kijker identificeren met een verschillende personen of gebeurtenissen. Zo zie de verschillende perspectieven en kun je jouw eigen manieren van denken verbreden en verdiepen. Dit leidt tot zelf-reflectie/zelf-evaluatie (Hoe zou ik dit gedaan hebben? Waarom spreekt mij deze persoon aan?).
  • KUNST ONTSTAAT VAAK VANUIT MENSELIJKE EN MAATSCHAPPELIJKE BETROKKENHEID. Kunstenaars voelen zich vaak intens betrokken bij een bepaald onderwerp (de menselijke conditie), thema’s (migratie, klimaat, milieu) of probleem (duurzaamheid; diversiteit; humanisme). Zij onderzoeken in hun kunst hoe zij onderwerpen op nieuwe manieren zouden kunnen belichten om daarmee onderwerpen onder de aandacht te brengen, te verbeelden of om zo nieuwe oplossingen aan te reiken.

ESSENTIËLE VRAGEN

Docenten kunnen het leren over kunst interessanter maken, door essentiële vragen te stellen aan leerlingen en hen stimuleren zelf dergelijke essentiële vragen te leren formuleren. 

  • Kenmerken van essentiële vragen volgens McTighe, J., & Wiggins, G. (2013).

    1. Zijn open van karakter dus niet gesloten: er is niet één juist antwoord
    2. Zetten aan tot denken; zijn intellectueel uitdagend, leiden vaak tot discussie of debat
    3. Vergen hogere orde denken: analyseren, afleiden, evalueren, voorspellen. Je kunt het antwoord niet vinden door alleen kennis te reproduceren
    4. Verwijzen naar belangrijke, overkoepelende ideeën of kwesties binnen (en soms ook buiten) een discipline.
    5. Roepen aanvullende vragen op en zetten aan tot verder onderzoeken
    6. Vergen onderbouwing, het is niet alleen maar een antwoord
    7. Zijn steeds terugkerende vragen: ze kunnen steeds opnieuw op een zinvolle manier aan de orde gesteld worden (in verschillende contexten).

     Voorbeelden: “Drinken wij hetzelfde water als onze voorouders?”;  “Weerspiegelt kunst de maatschappij of geeft kunst juist vorm aan de maatschappij?” Meer voorbeelden van McTighe en Wiggins zijn te vinden via deze link

MENU